De volgende ochtend reden mijn broer, Josie (m’n hond) en ik richting Zuid-Italië. Een beetje onwennig nog, want de bus was erg zwaarbeladen en bij iedere bocht helde de bovenkant van de bus over, alsof ie ieder moment kon omvallen. Josie zat als een prinsesje tussen ons in op de voorstoelen, die niet te verstellen waren, dus het werd twee dagen lang rechtop zitten in een zeer oncomfortabele houding.
Het plan was om in ieder geval tot de helft te komen (1.100 km) en ergens boven Bolzano te overnachten. We hadden ons daar een klein beetje op verkeken want het rijden in de Sprinter was vermoeiend en we konden met onze lading maximaal 120 km per uur rijden. De rit over Deutsche Autobahn bestond bovendien uit heel veel vrachtwagens, overal wegwerkzaamheden en nog meer files.
De ‘snelste’ weg was om via de Fernpass Oostenrijk in te rijden. De afgeladen Sprinter lag alleen niet zo lekker in de bochten van de Fernpass en leek bij iedere haarspeldbocht juist rechtdoor te willen gaan, recht het ravijn in. Met samengeknepen billen en verkrampte schouders reden we eindelijk Oostenrijk binnen. Op naar de Brenner – met de vlam in de pijp – nog maar een paar honderd kilometer tot een bed en een warme douche.
Het pension dat ik had gereserveerd lag vlak over de Italiaanse grens ergens in een bergdorpje. De Fernpass was er niks vergeleken bij het (deels) landweggetje naar onze overnachtingsplek. Inmiddels werd het ook donker en passeerden we de smalle straatjes van verschillende dorpjes die bestonden uit 5 onverlichte huizen, 6 boerderijen, een kerk en een verlate dorpskroeg. Geen teken van leven te bekennen. Zaten we wel goed? Uiteindelijk kwamen we bij een houten, brakke brug waar we volgens de navigatie overheen moesten. Direct erna was een verlaagd viaduct. We negeerden alle ‘red alerts’ en reden 5 minuten later eindelijk het terrein van het pension op. De eigenaar was gelukkig nog wakker gebleven om ons binnen te laten.
De volgende ochtend vervolgden we redelijk uitgerust onze weg. Tot we bij het bekende viaduct kwamen en nu opeens een bord zagen dat de maximale hoogte om er onderdoor te kunnen 2,5 meter was. De bus zelf was al 3 meter hoog. Maar waarschijnlijk vanwege het gewicht kwam ie net iets lager te liggen, want we waren er ook heen onderdoor gekomen. Daarna de brug, die er bij daglicht nog brakker uitzag dan in het donker. Maximaal 3 ton – stond er op het bord. “Zal ik anders uitstappen en aan de andere kant van de brug wachten?”, vroeg ik. “Dat scheelt toch zo maar 80 kilo” (met kleding red. ;-). Stapvoets reed mijn broer over de houten planken die toch sterker waren dan ze aanvankelijk deden vermoeden. En waren we er immers ook op de heenreis niet overheen gereden? Antonius was ons blijkbaar goedgezind, want 10 minuten later zaten we op de autostrada (hoezo hadden we daar de avond ervoor 45 minuten over gedaan?). We waren op de helft!
De rit in Italië ging een stuk makkelijker dan Duitsland en Oostenrijk. De Sprinter begon eindelijk wat meer pit te krijgen en we zette de spint er wat meer in. Bergafwaarts 130 km/u, bergopwaarts 110 km/u met af en toe een gekke Italiaan op onze bumper. We begonnen er zelfs wat lol in te krijgen, alhoewel de schouder- en rugspieren het daar niet helemaal mee eens waren.
De Vesuvius kwam in zicht. – Bijna ‘thuis’, denk ik dan altijd-. Helaas is het dan nog 2,5 rijden, waarvan 45 minuten over wederom een bochtige, donkere weg door de bergen, waar de lokale automobilisten en vrachtwagens als een carnavalsoptocht achter de bus blijven kleven om ons vervolgens in een onoverzichtelijke bocht in te halen.
De bus hebben we met inhoud en al op de centrale parkeerplaats van San Nicola geparkeerd. Morgen uitladen, nu eerst slapen…
